
Kampioenen in het kwadraat
De duivensport is een schitterende sport, want in welke andere competitie kan Jan met de pet zich meten met Piet Poen? De duivensport is geen eerlijke sport, want Jan met de Pet moet het opnemen tegen Piet Poen, dat kan hij onmogelijk winnen.
Ziedaar in twee zinnen een levensgroot dilemma, waar al in lengte van jaren over wordt gediscussieerd. Discussie op de man gespeeld op heel veel plaatsen en maar weinig gebasseerd op feitenkennis en praktisch inzicht. Een schrijver die dat op een andere manier heeft benaderd is Antoon Malfait. Telg uit een bekend duivengeslacht, behept met een goede pen en analytische blik. Hij schreef in zijn boeken over de exponentiële functie, ofwel hoe de invloed van verschillende factoren samen leidt tot een veel groter resultaat. Een beejte als: 'hoe harder het waait, hoe sneller duiven vliegen'. De snelheid van de duif zorgt dat ze vooruitkomt, een staartwind met eenzelfde snelheid verdubbelt de vliegsnelheid van de duif. Deze exponentiële functie verklaart volgens hem ook het gapende gat tussen krabber en kampioen, tussen Jan met de Pet en Piet Poen....
Factoren Dat er vele verliezers zitten onder de nu nog 20.000 Nederlandse duivenliefhebbers is duidelijk. Volgens Malfait zijn er in de Belgische duivensport (goeddeels vergelijkbaar) zo'n 5% liefhebbers die geld overhouden aan hun spel. Op elke 1000 liefhebbers is er één die de duivensport als beroep heeft en niet meer als hobby. Tien procent van de liefhebbers spelen jaarlijks en wekelijks hun 'tal' aan prijzen, dat wil zeggen 25% op de uitslag. Als nog eens tien procent zich helemaal niet druk maakt over de uitslag (ze doen voor de gein mee), dan betekent dit dat er 80% elke week 'verliest'. Ze hebben duiven ingekorfd die voor anderen prijzen opleveren, zijzelf klokken te weinig op tijd. Ook valt op dat de 'rijken' steeds rijker worden en de 'armen' steeds armer. Kettinguitslagen en kampioenen-huldigingen met de hele avond dezelfde mensen op het podium zijn er een duidelijk voorbeeld van. Het zijn kampioenen in het kwadraat, hoe kan dat?
Welke factoren bepalen nu in de duivensport of je wel of geen succes hebt? Willekeurig iemand aanschieten in een duivenvereniging levert al snel een aantal zaken op die eigenlijk iedereen essentieel vindt:
- Specialisatie
- Goede duiven
- Een goed systeem
- Een goed hok
Door te specialiseren, door in te spelen op details, te focussen op één type spel, kom je sneller vooruit dan iemand die alles mee wil doen. Iedere duif scoort volgens haar dagmogelijkheden. Enerzijds heeft dat te maken met de bouw van de duif die bepaalt hoe snel ze kan, anderzijds heeft het te maken met stofwisseling, die de kracht moet leveren voor die snelheid. Als dit dan ook nog eens in de juiste richting is, met een duif die goed kan oriënteren en navigeren, dan is alles aanwezig voor een topper. Voor de vergelijking delen we de liefhebbers eens in op 5 soorten: - groep a: verliezers - groep b: eendagsvliegen, meestal verliezer. - groep c: goede middenmoter - groep d: regionale kampioen - groep e: de absolute landelijke topper. Als we deze groepen net zo indelen voor de kwaliteit van hun duiven onstaat al het eerste 'kwadraat'. We onderscheiden dan: - groep a: matig presterende liefhebber, matige selectie. - groep b: matig presterende liefhebber, strenge selectie. - groep c: doorsnee melker, selectie op 'tal'. - groep d: doorsnee melker, selectie op prestaties, geen uitbreiding. - groep e: de sterke specialist met strenge selectie alleen op prestaties.
Koppeling van bovenstaande groepen kan natuurlijk in alle mogelijke varianten, zo kan een matig spelende liefhebber met een uitermate strenge selectie natuurlijk net zo goed. Ook een doorsnee melker met selectie op prestatie, kan toch tot de verliezers behoren. Om de grote spreiding aan te geven is onderstaande tabel wel heel duidelijk:
|
groep |
a |
b |
c |
d |
e |
| Specialisatie |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
| Goede duiven |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
|
totaal |
1 |
4 |
9 |
16 |
25 |
Het is duidelijk dat een absolute kampioen die uitsluitend streng selecteert op prestatie in dit voorbeeld al 25 keer zo veel resultaat mag verwachten als de verliezer die ook nog eens matig selecteert.
Systemen De laatste jaren wordt meer en meer de nadruk gelegd op het systeem van de kampioenen. Als we ons nu eens focussen op bijvoorbeeld het kweken, dan kunnen we hier weer 5 groepen benoemen, net als hierboven. Groep a zijn dan mensen die nauwelijks op zoek zijn naar betere duiven en maar wat doorploeteren. Groep b zijn de mensen die kopen en kweken zonder achterliggende visie. De derde groep is de doorsnee melker, hij koopt en kweekt niet veel, maar zorgt wel dat er gerichte aankopen gedaan worden. Groep d bestaat uit mensen die aardig meedoen en een paar prima kweekkoppels bezitten. De vijfde groep is weer de uitzonderlijke categorie van topkampioenen, hij kweekt alleen uit bewezen goede duiven. Voegen we deze mensen toe dan komen we al bij een verhouding tot de derde macht.
|
groep |
a |
b |
c |
d |
e |
| Specialisatie |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
| Goede duiven |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
| Systeem |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
|
totaal |
1 |
8 |
27 |
64 |
125 |
De uitkomsten leveren al een dusdanig groot verschil op dat het gat nu al schier onoverbrugbaar is.
Een goed hok Ondanks die enorme verschillen die we bij de drie eerste variabelen al tegenkwamen, zijn we er nog niet. Want alles vindt uiteindelijk plaats op het duivenhok. Dat hok moet niet afhankelijk zijn van het buitenklimaat. Met duur of goedkoop gebouwd heeft dat niets te maken, wel alles met de verluchting en droogte. De temperaturen moeten niet teveel schommelen, daarnaast is ook een redelijk constante relatieve luchtvochtigheid van groot belang. Hoe beter het hok, hoe groter de invloed op de prestaties, uiteraard geldt dat omgekeerd ook. We gaan nu in de vergelijking naar een verhouding 'tot de macht 4', waarbij a een slecht hok is, b een hok waar de omstandigheden soms voordelig zijn, hok c is alleen goed in een bepaalde periode, terwijl hok d alleen slecht is in een korte periode en hok e tenslotte onder alle omstandigheden perfect.
|
groep |
a |
b |
c |
d |
e |
| Specialisatie |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
| Goede duiven |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
| Systeem |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
| Hok |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
|
totaal |
1 |
16 |
81 |
256 |
625 |
Omdat het een modelberekening is, worden de verhoudingen wel heel overdreven. Toch staan deze vier basisfactoren wel garant voor succes of falen in de duivensport. Uiteraard speelt niemand zoals 1, toch zou iedereen graag liefhebber 5 willen zijn! Een realistischere verdeling is zoals de onderstaande combinaties:
|
groep |
a |
b |
c |
d |
e |
| Specialisatie |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
| Goede duiven |
5 |
4 |
1 |
3 |
2 |
| Systeem |
2 |
3 |
5 |
3 |
4 |
| Hok |
2 |
1 |
4 |
3 |
5 |
|
totaal |
20 |
24 |
60 |
108 |
200 |
De laatste melker (d) kan toch winnen ondanks het feit dat hij weinig bijzondere duiven op zijn hok heeft. Liefhebbers a en b hebben juist prima duiven (Bij toeval misschien), maar door verwaarlozing van de andere factoren, presteren hun duiven uiteindelijk niets. Overal middelmatig, of een super hok en systeem, leveren ook uiteindelijk geen gewenst resultaat. Het zal duidelijk zijn dat de inzet, de planning, de investering in tijd en middelen, van de betere spelers geen kwestie van toeval of wondermiddelen is.
Het meest doeltreffende wondermiddel, zo schrijft Malfait tenslotte, is een duif wonend op een degelijk hok, gespeeld volgens het spel wat haar het best past en een goede gezondheid en een formpiek op het juiste moment
Reageren? wiebrenvanstralen@duivensites.nl |